Een Nederlandse column over de “economische minderheid” lokte deze week een opvallende discussie uit. Ondernemer Tadek Solarz stelt daarin dat de groep die investeert, bedrijven uitbouwt en mensen aanwerft electoraal te klein is om het beleid te bepalen. Politici kunnen daardoor relatief gemakkelijk nieuwe lasten en regels voor ondernemingen invoeren. De opbrengst of het politieke voordeel is meteen zichtbaar, terwijl investeringen die daardoor niet plaatsvinden pas jaren later ontbreken.
Het gaat dus niet in de eerste plaats over de vraag hoeveel vennootschapsbelasting bedrijven betalen. De achterliggende vraag is fundamenteler: hebben de mensen die economische groei en werkgelegenheid organiseren voldoende politiek gewicht om te voorkomen dat beleid diezelfde groei afremt?
Voor Nederland gebruikt Solarz de verhouding van ongeveer één ondernemer op negen stemmen. Zo’n exact cijfer kunnen we niet zomaar naar België kopiëren. De Belgische cijfers tonen wel een opvallende verhouding: een relatief beperkte groep werkgevers neemt beslissingen die gevolgen hebben voor miljoenen jobs, miljarden aan investeringen en een groot deel van de toekomstige belastingbasis.
Wat wordt bedoeld met een economische minderheid?
Ondernemers vormen numeriek geen meerderheid. Werknemers, gepensioneerden, ambtenaren, studenten en mensen zonder werk vertegenwoordigen samen een veel grotere groep kiezers. Hun directe bekommernissen — koopkracht, pensioenen, zorg, wonen, onderwijs en veiligheid — wegen begrijpelijkerwijs zwaar bij verkiezingen.
Het ondernemingsklimaat is abstracter. Een kiezer merkt onmiddellijk dat een uitkering stijgt, een belasting wordt verlaagd of een nieuwe bescherming wordt ingevoerd. Niemand ziet daarentegen een investering die nooit wordt gedaan, een filiaal dat niet opent of een ondernemer die uiteindelijk toch geen eerste werknemer aanwerft.
Dat verschil in zichtbaarheid kan de politieke besluitvorming vertekenen. De voordelen van een maatregel zijn vandaag aanwijsbaar, terwijl de economische kosten onzeker zijn, verspreid liggen en vaak pas na de volgende verkiezingen verschijnen.
Met een economische minderheid wordt dus niet bedoeld dat er te weinig ondernemers in het parlement zitten. Het gaat om een verschil tussen economisch gewicht en electoraal gewicht.
Hoe klein is de ondernemersgroep in België?
Het antwoord hangt volledig af van wie we als ondernemer tellen. Volgens het RSVZ en de FOD Economie telde België eind 2024 in totaal 1.299.825 zelfstandigen en helpers.
Die groep bestond uit:
- 801.544 zelfstandigen in hoofdberoep;
- 341.591 zelfstandigen in bijberoep;
- 156.690 zelfstandigen die actief waren na de pensioenleeftijd.
Het totaal van bijna 1,3 miljoen mag niet als één afzonderlijk politiek stemblok worden beschouwd. Een zelfstandige in bijberoep is meestal ook werknemer. Een zelfstandige na de pensioenleeftijd combineert zijn activiteit met een pensioen. Daarnaast zeggen deze statuten niets over politieke voorkeuren.
Nog relevanter is de groep die effectief werknemers in dienst heeft. Eind 2024 telde België volgens de FOD Economie225.374 kmo’s met personeel. Zij vertegenwoordigden 99,3% van alle werkgevers in de Belgische privésector. De overige 0,7% bestaat uit grote ondernemingen met minstens 250 werknemers.
Een onderneming is uiteraard niet hetzelfde als één kiezer: een zaak kan meerdere eigenaars hebben en één ondernemer kan verschillende vennootschappen besturen. We kunnen uit dit aantal dus geen exact stemmenpercentage berekenen. Het cijfer maakt wel duidelijk dat de groep die rechtstreeks over aanwervingen beslist veel kleiner is dan de groep die afhankelijk is van lonen, publieke uitgaven en sociale bescherming.
Een beperkte groep werkgevers ondersteunt miljoenen jobs
De economische invloed van die werkgevers is veel groter dan hun aantal doet vermoeden. Op 31 december 2024 telden Belgische privéondernemingen samen 3.108.451 arbeidsplaatsen die bij de RSZ waren geregistreerd.
Daarvan bevonden zich 1.793.543 jobs bij kmo’s, goed voor 57,7% van alle arbeidsplaatsen in de privésector. Omgerekend naar voltijdse equivalenten vertegenwoordigden kmo’s 1.441.160 vte’s, of 58,2% van het totale arbeidsvolume bij private ondernemingen. Dat blijkt uit de tewerkstellingscijfers van de FOD Economie.
| Belgische privésector eind 2024 | Aantal |
|---|---|
| Kmo’s met werknemers | 225.374 |
| Arbeidsplaatsen bij alle privéondernemingen | 3.108.451 |
| Arbeidsplaatsen bij kmo’s | 1.793.543 |
| Aandeel van kmo’s in private arbeidsplaatsen | 57,7% |
De verhouding is precies waarom het begrip “economische minderheid” aanspreekt. Een beperkte groep mensen beslist of een onderneming uitbreidt, een machine koopt, een nieuwe vestiging opent of extra personeel zoekt. De gevolgen van die beslissingen verspreiden zich vervolgens over werknemers, leveranciers, klanten en de overheid.
Ondernemingen investeren bovendien niet alleen in gebouwen en machines. Volgens Eurostat besteedden Belgische bedrijven in 2024 het equivalent van 2,43% van het bbp aan onderzoek en ontwikkeling. De totale Belgische onderzoeksuitgaven bedroegen 3,36% van het bbp, het tweede hoogste percentage in de Europese Unie na Zweden.
Waar bevinden de private jobs zich?
Verdeling van 3.108.451 arbeidsplaatsen bij Belgische privéondernemingen, eind 2024.
Bron: FOD Economie op basis van RSZ-cijfers. Het aantal jobs bij grote ondernemingen is berekend als het verschil tussen het private totaal en de kmo-jobs.

Bedrijven betalen niet alle belastingen, maar creëren wel veel belastbare activiteit
België inde volgens de recentste volledig uitgesplitste cijfers van de OESO in 2023 ongeveer €249,76 miljard aan belastingen en verplichte sociale bijdragen.
De vennootschapsbelasting was daarvan goed voor €23,26 miljard of 9,3%. Personenbelasting vertegenwoordigde 27,9%, sociale bijdragen 30,8% en btw 15% van de totale ontvangsten.
Daaruit besluiten dat bedrijven slechts voor 9,3% van de overheidsinkomsten relevant zijn, zou echter dezelfde denkfout in de andere richting zijn. Rond ondernemingen ontstaat een veel bredere stroom van belastbare activiteit:
- werknemers ontvangen lonen en betalen daarop personenbelasting;
- werkgevers en werknemers betalen sociale bijdragen;
- ondernemingen verkopen goederen en diensten waarop btw wordt geheven;
- leveranciers en onderaannemers boeken op hun beurt omzet en inkomen;
- winst kan worden geïnvesteerd, uitgekeerd of belast.
Dat betekent niet dat een werkgever economisch al deze belastingen alleen draagt. Btw wordt uiteindelijk door de consument betaald en personenbelasting blijft een belasting op het inkomen van de werknemer. Het betekent wel dat werkgelegenheid, productie en verkoop belangrijke schakels vormen in de belastingbasis.
Zonder ondernemingen verdwijnt die activiteit niet volledig — ook de overheid en de non-profitsector stellen mensen tewerk en creëren waarde — maar een economie kan haar publieke voorzieningen niet duurzaam blijven uitbreiden wanneer private productie, investeringen en productiviteit achterblijven.
Waarom kan de politiek toch verkeerde keuzes maken?
De redenering achter de economische minderheid is geen beschuldiging dat politici bewust ondernemingen willen beschadigen. Het gaat om de prikkels waaraan democratische besluitvorming onderhevig is.
1. Grote groepen leveren meer stemmen op
Een maatregel voor werknemers, gepensioneerden of gezinnen kan rechtstreeks relevant zijn voor miljoenen kiezers. Een beter investeringsklimaat is belangrijk, maar veel moeilijker uit te leggen aan de hand van een onmiddellijk persoonlijk voordeel.
2. Nieuwe inkomsten zijn onmiddellijk zichtbaar
Een hogere belasting of bijdrage levert een bedrag op dat in een begroting kan worden ingeschreven. De investering die door een opeenstapeling van lasten niet doorgaat, verschijnt in geen enkele begrotingstabel.
3. Regels hebben meestal een verdedigbaar doel
Nieuwe verplichtingen ontstaan doorgaans vanuit reële maatschappelijke vragen, zoals consumentenbescherming, veiligheid, milieu of werknemersrechten. Het probleem zit niet noodzakelijk in één regel, maar in de gecumuleerde kost van tientallen regels, rapporteringen en vergunningen.
4. Economische schade verschijnt met vertraging
Een ondernemer kan eerst een geplande vacature schrappen, daarna investeringen uitstellen en pas jaren later activiteiten verplaatsen of stopzetten. Tegen dat moment is moeilijk te achterhalen welke beleidsbeslissing doorslaggevend was en zijn de verantwoordelijke ministers mogelijk al vervangen.
Politici worden daardoor sterker afgerekend op de zichtbare gevolgen van vandaag dan op ondernemingen en belastinginkomsten die er over vijf jaar mogelijk niet zullen zijn.
Zijn er aanwijzingen dat dit in België gebeurt?
We kunnen niet met een statistiek bewijzen dat ondernemers politiek te weinig invloed hebben. We kunnen wel nagaan of België kenmerken vertoont die bij de waarschuwing passen.
België heeft een bijzonder hoge belastingdruk
In 2024 bedroegen belastingen en verplichte sociale bijdragen samen 42,6% van het Belgische bbp. België stond daarmee op de vijfde plaats van de 38 OESO-landen. Het gemiddelde binnen de OESO bedroeg 34,1%.
Een hoge belastingdruk bewijst op zichzelf geen slecht beleid. Ze financiert ook onderwijs, gezondheidszorg, infrastructuur en sociale bescherming waar ondernemingen mee van profiteren. Het hoge niveau betekent wel dat bijkomende lasten sneller het verschil kunnen maken bij een investerings- of aanwervingsbeslissing.
De administratieve complexiteit weegt op ondernemingen
De Europese Commissie stelde in 2026 vast dat de Belgische regeldruk en administratieve complexiteit het ondernemingsklimaat blijven hinderen. Ze verwijst onder meer naar arbeidsregels, sociale zekerheid, operationele kosten en vergunningen die over verschillende bestuursniveaus verspreid zijn.
Dat is precies het soort opeenstapeling waar de column voor waarschuwt: elke verplichting kan afzonderlijk worden verdedigd, terwijl niemand politiek eigenaar is van de totale kost.
België telt opvallend weinig snelgroeiende bedrijven
Volgens dezelfde Europese Commissie behoort België tot de landen met de laagste ondernemingsdynamiek in de EU. Slechts 0,25% van de Belgische ondernemingen bestaat uit snelgroeiende bedrijven, tegenover gemiddeld 0,79% in de Europese Unie.
Als mogelijke belemmeringen noemt de Commissie onder andere hoge arbeidskosten, een beperkte markt voor groei- en durfkapitaal en fiscale regels die het soms aantrekkelijker maken om klein te blijven. België slaagt er dus goed in veel ondernemingen en zelfstandige activiteiten te creëren, maar veel minder goed in het laten doorgroeien van die ondernemingen.
Het aantal kleine werkgevers daalt
Tussen 2023 en 2024 daalde het aantal kmo-werkgevers met 1,1%. Vooral bij micro-ondernemingen met minder dan tien werknemers was er een afname van 1,5%. Het totale aantal arbeidsplaatsen bleef licht groeien, maar het aantal kleine ondernemingen dat werkgever is, nam wel af.
Ook dat bewijst geen rechtstreeks oorzakelijk verband met één belasting of regel. Het is wel een belangrijk signaal in een land dat economische groei en extra belastinginkomsten nodig heeft.
Betekent dit dat ondernemers altijd gelijk hebben?
Nee. Economisch gewicht geeft een groep niet automatisch recht op meer stemmen of een uitzonderingspositie. Ondernemingen hebben eveneens belang bij goed onderwijs, gezonde werknemers, rechtszekerheid, infrastructuur en sociale stabiliteit. Ook regelgeving kan markten beter laten werken en voorkomen dat maatschappelijke kosten op anderen worden afgewenteld.
Daarnaast vertegenwoordigen ondernemersorganisaties niet noodzakelijk elke zelfstandige of kleine werkgever. Een multinational, een horecazaak en een freelancer hebben andere belangen. “De ondernemer” bestaat politiek net zo min als “de werknemer”.
De juiste conclusie is daarom niet dat beleid uitsluitend door ondernemers moet worden bepaald. De betere vraag is of de langetermijngevolgen voor investeringen, productiviteit en werkgelegenheid voldoende gewicht krijgen naast de onmiddellijke belangen van grotere kiezersgroepen.
Maken Belgische politici de verkeerde keuzes?
De cijfers laten geen eenvoudig ja of nee toe. Ze tonen wel een structureel risico.
België vraagt een relatief kleine groep werkgevers om te investeren, te innoveren en miljoenen arbeidsplaatsen te organiseren. Tegelijk heeft ons land een zeer hoge belastingdruk, complexe regelgeving en beduidend minder snelgroeiende ondernemingen dan gemiddeld in de Europese Unie. De Europese Commissie waarschuwt bovendien expliciet dat administratieve lasten en versnipperde procedures het ondernemingsklimaat aantasten.
Dat maakt het aannemelijk dat politieke beslissingen de totale langetermijnkost voor ondernemingen soms onderschatten. Niet noodzakelijk omdat politici onwetend zijn, maar omdat een vermeden investering geen kiezer heeft, geen krantenkop krijgt en niet in de begroting van volgend jaar verschijnt.
Een oplossing ligt niet in meer politieke macht voor iedere ondernemer afzonderlijk. Wel in een consequente economische impacttoets voor nieuwe belastingen en regels, eenvoudige procedures en regelmatige evaluaties van de gecumuleerde lasten. Maatregelen die vandaag geld opbrengen, moeten ook worden beoordeeld op de jobs, investeringen en toekomstige ontvangsten die ze morgen kunnen kosten.
Conclusie: economisch gewicht vertaalt zich niet automatisch in politieke invloed
De exacte Nederlandse verhouding van één op negen stemmen kunnen we voor België niet bevestigen. De onderliggende vaststelling blijft wel overeind.
België telde eind 2024 slechts 225.374 kmo’s met personeel. Samen waren kmo’s goed voor bijna 1,8 miljoen arbeidsplaatsen, terwijl alle private ondernemingen samen ruim 3,1 miljoen jobs organiseerden. Bedrijven investeerden bovendien het equivalent van 2,43% van het bbp in onderzoek en ontwikkeling.
Die economische impact staat tegenover een politiek systeem waarin veel grotere groepen logischerwijs zwaarder wegen bij verkiezingen. Daardoor bestaat het risico dat de directe opbrengst van extra lasten belangrijker wordt gevonden dan de onzichtbare investering die niet doorgaat.
Dat is de nuttigste interpretatie van de economische minderheid: niet dat ondernemingen als enige belastingen betalen, maar dat de mensen die beslissen over investeringen en aanwervingen met relatief weinig zijn — terwijl de gevolgen van verkeerde politieke keuzes uiteindelijk door de hele samenleving worden gedragen.
Bronnen en methodologie
- OESO – Revenue Statistics 2025: Belgium. De uitgesplitste belastingontvangsten hebben betrekking op 2023; de belastingdruk tegenover het bbp is een voorlopige raming voor 2024.
- FOD Economie – Het profiel van zelfstandigen. Cijfers uit het vierde kwartaal van 2024, afkomstig van het RSVZ.
- FOD Economie – Tewerkstelling bij kmo’s. Cijfers op 31 december 2024.
- FOD Economie – Arbeidsplaatsen bij kmo’s. Cijfers op 31 december 2024.
- Eurostat – R&D expenditure. Cijfers voor 2024.
- Europese Commissie – aanbevelingen voor België, 2026.
De column van Tadek Solarz diende als aanleiding voor deze Belgische analyse. De redenering werd in eigen woorden samengevat; er werden geen passages uit de oorspronkelijke publicatie overgenomen.


Besparen op pretparktickets: zo betaal je nooit te veel voor een dagje pretpark